Geschiedenis
Hier horen ze thuis
 

van het brakelhoen

Van oudsher scharrelde rond ieder Vlaams landelijk huis de Brakels, zwartgrijze kippen met witte tekening.

Het waren landhoenders, zwervend langs hoeven en door velden.

Altijd bezig, alles ziende, bestand tegen ons wisselvallig klimaat, met weinig tevreden, zoekend en krabbend, wandelen ze rond als zigeuners. Ze waren  fier en onafhankelijk, vinnig en gehard als avonturiers.

Onze mensen, bekoord door hun karakter en hun schoonheid, hebben ze veredeld tot de mooie kip, zoals we die nu kennen. Rondom het huis brengen ze een stukje vergeten, natuurlijke en onnavolgbare schoonheid. De haan is getooid met een rechte hoge kam, met een hals - en zadelbehang als een hermeline pelerine en met als pronkstuk een staart als een bloemtuil.  Ze hebben iets koninklijks in hun krachtige zelfbewuste bewegingen en ze dragen hun verenmantel, vol metalen glans en met een gloed van diep, getemperd vuur, als echte seigneurs.

Nog altijd zijn ze gehard en vitaal, actief sterk en taai. Nog altijd zijn ze bestand en weerstandig tegen de gure omstandigheden van onze streek.

Ze vragen niet veel: wat ruimte, wat zon en een minimum aan voedsel.  Daarvoor geven ze in ruil een scharrelei, zoals in grootmoeders tijd. Hun vlees is heerlijk vast, met een smaak van wild, zo verfijnd dat koningen en prinsen alleen deze kippen op hun feesttafel wensten.

Maar eer het zover was mest er een hele weg worden afgelegd, want....

Na wereldoorlog I en II voerde men hybriden in, kippen die gespecialiseerd waren in een bepaalde eigenschap, landsvreemd en niet aangepast, die hier alleen maar met medicamenten in leven konden (kunnen) gehouden worden.

Daardoor raakte de Brakels stilaan vergeten en wel in zulke mate dat men rond 1970 bijna geen echte exemplaren meer vond.

In 1971 werd een speciaalclub gesticht door enkele, enthousiaste natuurvrienden onze oudste en mooiste inheemse kip weer in haar oude schoonheid en luister te herstellen.

Dat is gelukt,                                                                                                                                                                                                                         De Brakel is er weer !

Wel blijft het zaak om op te letten en te zorgen dat de Brakel behouden blijft,

Daarvoor ijvert de club met als doelstelling:

De Brakel als typisch Belgisch landhoen te doen waarderen,

de fok ervan aan te moedigen,

het ras te verbeteren en het op grote schaal te doen kennen.

 

 

 

Meld U aan als lid of als fokker Klik Hier

  Hierboven verspreiding van de landhoenders      

Zilver Brakelhen in 1890 op de tentoonstelling in Gent

Oude Standaard tekening Brakelhaan

 

Oude Standaard tekening Brakelhen           

 

                                                  Zoals U ziet komen de oorspronkelijke Brakels   (Kempische Brakelhoenders) in geheel België maar ook in Zuid Nederland voor .

Hier horen ze thuis

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Let op het ontbreken van de staart tekening, de verwaterde tekening. De kamvalling bij de hen.

Uit "HET VLAANSCH NEERHOF Aug. van Speybrouck no 92 1895

Het Brakelsch Hoen

Indien het betrekkelijk klein Kempisch hoen de schat is der onvruchtbare heidevelden, in de groene weiden van Oost-Vlaanderen en Henegouw, in de weelderige dalen van Schelde en Dender ontmoeten wij het grooter Brakelsch hoen, dat zijnen naam aan de twee dorpen van Op- en Neder-Braekel heeft ontleend. Rond de met stroo gedekte en uit leem gebouwde landelijke woningen, op het vierkant hof omzoomd met stallen, schuur en woning, op mest en stroo, tusschen wagens en landbouw -gereedschap, schart en pikt de Brakel.Mannen die zich op de vogelkunde toeleggen, houden staan, dat dit hoen maar een verbeterd Kempisch kieken is; anderen evenwel beweren dat het een eigen ras is, met eigene kenteekens en eigene hoedanigheden. In alle geval, indien de Kempische hen zoo goed legt als de Brakelsche, deze laatste overtreft toch de eerste als klok, en haar vleesch lekker en fijn, is door alle kenners gezocht. Volgens het schrijvenvan een gezaghebbend tijdschrift in de vogelwereld “Chasse et Pêche” zou de Brakel eene vermenging zijn van Spaansche en Negerhoenders. Het Spaansche hoen is vooral gekend door zijne schoonheid, zijne vruchtbaarheid en de goede hoedanigheid van zijn vleesch en van zijne eieren.

Het is sterk gebouwd, zuinig en houdt lang stand. De neger, gelijk de Cochinchinees, legt en broedt geheel den winter. Alhoewel die bewering geheel en gansch in ’t voordeel is van den Brakel, moeten wij ze wel in twijfel trekken, aangezien men verzekert dat het Negersch hoendenras  slechts sedert korte jaren alhier zeker werd overgebracht, terwijl wij in hetzelfde tijdschrift lezen dat de Brakel sinds eeuwen te huis is in de geheel de streek van Oudenaarde, Gent, Geeraardsbergen en Ronse. De Brakelsche haan kent men aan zijne trotsche houding, zijne hooge schouderen, zijne leege lendenen en zijnen platten rug. Rond zijn hennen wandelt hij deftig, schijnt altijd bekommert in zijn krachtig en ongeduldig trappelen, en altijd betere en betere plaatsen voor hen zoekende, wil hij altijd vooruit en gaat hij aan hun hoofd met haastige stappen. Zijn dikke kam staat pijlrecht op zijnen fieren kop, en verschilt hierin met dien van de Kempische haan,  dat de kam van deze laatste dun en glad is, en niet gelijk die van de eerste betrekkelijk dik en gekorreld. De Kempische haan heeft eer eenen kam gelijkend aan dien van den Hamburgschen, met enkele kam. 

De Brakelsche hen heeft, gelijk al de hennen die in Vlaanderen voorgetrokken worden, zwarte oogen. Schooner kunnen zij niet uitkomen op hare grauwe pluimen en dat kleurenspel springt iedereen in de oogen. Zij heeft blauwachtige oorlappen, blauwe pooten en bek, en de overfraaie zwarte bloemen, die op iedere veder zoo kunstmatig door de natuur geschilderd zijn, maken haar tot een van de edelste vogels van het nederhof. Zwarte oogen zijn volgens eene Vlaamsche volks overleverig het teken, waaraan men de goede leghennen kan kennen; doch de Brakelsche hen geniet niet alleenlijk de faam van eene onzer beste legsters te zijn, maar ook van ons vroege en kloeke kiekens te verschaffen, die wonderbaar groeien en eerder dan al groot zijn. De Brakel is ook een uitnemend graankieken; zelfs zonder groote zorgen besteed aan het vetten zijner kiekens. Is hij op vier of vijf maanden een kostelijk dier om op de tafel opgedischt te worden. Ook op de markten van Oudenaarde, van Geeraardsbergen en zelfs van Gent weet men er van te spreken.Langs den kant van Peruwelz dient de Brakelsche hen bijzonder om eendeeieren uit te broeden. Daar schijnt zij reeds op vreemden grond en die kalkstreek dient haar niet. Het is wel waar dat zij er grooter van gestalte wordt, maar zij is veel zwakker van lichaamsbouw en veel moeilijker om gevet te worden. In onze Vlaamsche Kempen, integendeel, valt zij wat kleiner; zij is te zeer vermengd met de hoenderen van de streek, en wordt als in ‘t wilde gekweekt zonder de minste zorgen. De Brakel vraagt een wakend oog, wil oplettend verpleegd worden en loont mildelijk al wat men voor hem doet.

 

 

     

Foto uit boekje Het Brakelhoen

Foto uit boekje Het Brakelhoen

 

 

lijn
Campines

Campines op oude postkaart, bron foto: Lyndon Irwin

(c) Brakelhoenvrienden 2014